Ptah

De god PtahDe scheppergod Ptah, was de partner van de leeuwgodin Sachmet en vader van hun zoon, de lotusgod Nefertem. Zij vormden samen de triade van Memfis, de stad die gedurende lange tijd de hoofdstad van het Oude Rijk was.

Ptah was de lokale godheid. Volgens de scheppingsmythe van Memfis was Ptah de scheppergod. Nadat hij zichzelf had voortgebracht, bedacht hij in zijn hart de Enneade, de negen belangrijkste goden, door ze hardop uit te spreken. Zo schiep Ptah deze goden en daarna de tempels waar zij in konden wonen. Hij creëerde beelden uit hout, klei en steen om hun ka-ziel in te kunnen huisvesten. Daarna schiep hij de mensen en dieren door ze bij hun naam te noemen. Hij werd voorgesteld als de oervader en oermoeder van al het geschapene en was daarom ook patroon van de ambachtslieden.
Ptah is een van de oudste Egyptische goden. Vanaf de 1ste dynastie wordt zijn naam al vermeld. Aanvankelijk was hij een lokale godheid. In de loop van de tijd, vanaf de 5e dynastie, breidde zijn invloed zich gestaag uit. Soms werd Ptah geassocieerd met het leven na de dood door bepaalde aspecten over te nemen van andere godheden zoals Sokar en Osiris. Zijn mummievormige uiterlijk is een verwijzing naar deze associatie. Als Ptah-Sokar en later als Ptah-Sokar-Osiris werd hij daardoor erg belangrijk in de regio Memfis.
Ptah wordt doorgaans afgebeeld als een mummievormige figuur met de benen bij elkaar, staande op een voetstuk dat het hiëroglief maät voorstelt. Nu en dan wordt hij ook zittend afgebeeld. In zijn handen houdt hij de was-scepter, die is versierd met een anch-teken en een djed-zuil. Gewoonlijk draagt hij een nauwsluitende, blauwe kap zonder elementen van de gebruikelijke hoofdbedekking, hoewel hij soms ook wordt afgebeeld als Osiris-Ptah, met nog een kleine schijf en twee grote pluimen erbij. Vanaf het Middenrijk draagt hij een rechte, korte baard, afwijkend van de gekrulde baard die men bij andere goden aantreft. Over zijn gewaad draagt hij een brede kraag, op de rug doorlopend en eindigend in een soort kwast, die een soort contragewicht lijkt te vormen.

Hoewel er weinig van de tempel van Ptah in Memfis is overgebleven, zijn er bewijzen dat het een enorm complex moet zijn geweest. Ptah had vanaf het Middenrijk zijn eigen heiligdom in de Amontempel in Karnak, waar hij ook ten tijde van de volgende dynastieën werd vereerd. Het toont aan hoe belangrijk Ptah was. Ook in Nubië, in de tempels van Aboe Simbel, El-Derr en Gerf Hoessein werd hij vereerd.
In de omgeving van de tempel van Ptah zijn vele votiefstèles gevonden waarop menselijke oren staan afgebeeld die verwijzen naar Ptah als 'mesedjer-sedjem', oftewel het oor dat de smeekbeden van de bidders aanhoort. Met name door de ambachtslieden van Deir el-Medina werd 'hij die luistert naar de smeekbeden' aanbeden. Hier zijn bewijzen van teruggevonden in bijvoorbeeld het graf van Neferaboe. Amuletten van Ptah komen merkwaardig genoeg nauwelijks voor. De enkele die bewaard zijn gebleven, tonen Ptah, geflankeerd door Sachmet en Nefertem. Deze amuletten dateren uit de 26ste dynastie en werden meer bij leven gebruikt dan bij begrafenisrituelen. Indirect speelde Ptah wel een rol bij het mondopeningsritueel waarbij de sem-priester een rituele beitel gebruikte, wat verwees naar de ambachtsman.

© 2012 Joke Baardemans
Bronnen: The Complete Gods and Goddesses of Ancient Egypt, R.H. Wilkinson; The Oxford Encyclopedia of Ancient Egypt, A. Spalenger; Objects for Eternity, W.A. Meijer