Egyptische kunst, oorsprong en betekenis

Geïdealiseerde sculptuur van Menkoura en zijn vrouw, 4e Dynastie  Bij het creëren van Egyptische kunst ging het om de inspiratie, die de drijfveer vormde tot creativiteit. Het werd beïnvloed door de omgeving en de culturele achtergrond, de leef- en denkwereld van de kunstenaar.

De wereld was voor de oude Egyptenaren ruimtelijk begrensd en in vlakken opgebouwd. In hun beleving vormde Egypte het centrum van de aarde, een platte schijf. De mens was een concreet onderdeel van de natuur, die bestond uit een verzameling van krachten en machten. Krachten waren werkzaam in mensen, planten, dieren en in natuurverschijnselen. Ook water, lucht, zon, maan en planeten bezaten deze eigenschappen. De machten waren goden, die als mens, dier of een mengvorm hiervan werden uitgebeeld. De Egyptenaren waren buitengewoon opmerkzaam inzake het evenwicht in de wereld, de kosmos en de balans in de natuur. Dit heeft het wezen van de Egyptische kunst bepaald.

Kunst had voor de Egyptenaren een volstrekt andere inhoud en betekenis dan wij nu aan kunst toekennen. Niet de toevallige, zichtbare werkelijkheid werd uitgebeeld, maar kunst stond in dienst van de eeuwige waarheid. In Egypte was kunst het middel om de eeuwige en volmaakte schepping, de geordende wereld, vast te houden en te beschermen. Een bescherming tegen duistere machten, die er voortdurend op uit waren de wereld weer te laten wegzinken in de oerchaos, waaruit het leven ooit was ontstaan. De Egyptenaar streefde naar een ideale uitbeelding van de mens en niet naar een natuurgetrouwe weergave van de zichtbare en tastbare werkelijkheid.

Pen-Meru met vrouw en kinderen, 5e dynastie   Het ideaalbeeld, het eeuwige leven, religie en functionaliteit zijn dus van groot belang geweest voor de totstandkoming van Egyptische kunst. Het idealisme is het belangrijkste kenmerk van de faraonische, figuratieve kunst. Voor de juiste anatomische weergave van het menselijk lichaam was geen belangstelling. Toch was kunst een ambachtelijk proces waarbij de kunstenaar gebonden was aan een stelsel van conventies. De grondvorm werd volgens bepaalde regels afgewerkt. Een van die regels was bijvoorbeeld de wet van de frontaliteit. Beelden werden gemaakt om van voren te worden bekeken. Ruimte drukte de Egyptische kunstenaar tweedimensionaal uit. Alles wat men zag werd in het platte vlak geprojecteerd. Men beeldde dus niet alleen af wat men zag, maar ook wat gezien zou kunnen worden. Perspectief was wel bekend, maar werd nauwelijks gebruikt. De vorm van afbeelden, waarbij verschillende onderdelen van een object tegelijkertijd worden belicht, noemt men aspectivisme.
Objecten werden zodanig afgebeeld dat ze de maximale informatie over het onderwerp gaven. Formaat gaf uitdrukking aan de rang. Belangrijke personen werden altijd duidelijk groter afgebeeld dan minder belangrijke.

Een Egyptenaar geloofde dat afbeeldingen levende realiteit waren. Langs magische weg kwamen beelden of afbeeldingen tot leven. Een kunstenaar in Egypte werd 'seanch' genoemd, wat 'hij die doet leven' betekent. Het werk van een kunstenaar was pas af nadat het mondopeningsritueel was uitgevoerd. Voor de Egyptenaren was alle kunst in wezen toegepaste kunst. Ze onderscheidden geen verschillende kunstgenres door daar speciale benamingen aan te geven, zoals wij dit doen met onze indeling in beeldhouwkunst, schilderkunst, architectuur en kunstnijverheid. Wel kenden ze een onderscheid op basis van de technische specialismen die bij de uitvoering van kunstopdrachten aan bod kwamen: de beeldhouwer, de kleurmaker, de pottenbakker, de houtbewerker, de faiencemaker, de goudsmid enzovoort. Egyptische kunst legde de basis voor de kunst van de westerse culturen en ook nu nog laten kunstenaars zich erdoor inspireren.

© 2012 Joke Baardemans

Bronnen: Egyptian Art, C. Aldred;  Egypte, Het land van de farao's, H. Ullmann; Website Museumkennis