Vaatwerk, de materialen

Aardenwerk vaas uit Naqada periode, Metropolitan Museum of Art, New YorkVoedsel en vloeistoffen werden in het oude Egypte in potten en kruiken bewaard. Deze werden uit diverse materialen vervaardigd.

Aardewerk is het meest voorkomend en archeologisch het meest belangrijke materiaal. Het werd met name gebruikt voor voedselopslag, voedselbereiding en voor het transport van voedsel. Al in 6000 v. Chr. verscheen het eerste aardewerk in de Nijldelta. Uit de kenmerken van aardewerk kan men herleiden uit welke cultuur het stamt. Zo is de speciale techniek van het geribbelde en gepolijste oppervlak karakteristiek voor de Badari-cultuur (ca 5000-4000 v. Chr) en wordt de Naqada-cultuur (ca 4000-3100 v. Chr) gekenmerkt door de roestbruine kleur van het aardewerk (van Nijlslib) met de crèmekleurige lijnen en het latere, lichtere vaatwerk (van mergelklei) bewerkt met donkerkleurige patronen en figuren. Gedurende de hele dynastieke periode werd zowel de rode Nijlklei als de witgroene en gele mergelklei gebruikt voor de productie van vaatwerk. Al in het Oude Rijk werkten de Egyptenaren met een draaischijf. Aanvankelijk werden daarmee alleen de ribbels in het aardewerk aangebracht, later werd het aardewerk in zijn geheel met de draaischijf gemaakt. Tijdens de Perzische Periode kwam er een pottenbakkerswiel waarmee men sneller, meer en makkelijker kon produceren.

Vaas uit Amarnaperiode, Museum of fine Arts, BostonGeïnspireerd door het keramiek uit de Levant (het gebied wat direct ten oosten van de Middellandse Zee ligt) en de Egeïsche beschaving ontstonden tijdens het Nieuwe Rijk nieuwe vormen en decoraties. Gedecoreerd Egyptisch aardewerk, vooral uit de Amarna periode, had een aantal specifieke kenmerken: de gedetailleerde afwerking, de hiëroglifische motieven en de band met lotusbladeren in een kobaltblauwe kleur. Na de 18e dynastie echter vereenvoudigde de decoratie weer en pas omstreeks de Ptolemaeïsche Periode, waarschijnlijk ook beïnvloed door het buitenland, werd aardewerk weer uitbundiger versierd.
Stenen vaatwerk kwam ook al voor in de Vroegdynastieke Periode. Destijds werden de voorwerpen aanvankelijk grof uitgevoerd. Verfijning van vormgeving vond pas na deze periode plaats. Steen was ook aanmerkelijk duurder dan aardewerk en het was dan ook voornamelijk de elite die zich dergelijk materiaal kon veroorloven. Gedurende de hele dynastieke periode werden voor diverse doeleinden talrijke schalen, vazen en potjes geproduceerd van het zogenaamd Egyptisch albast oftewel calciet. Kunstenaars maakten de meest mooi gedecoreerde exemplaren in allerlei vormen en maten. De kohl-potjes, potjes voor oog make-up, waren favoriet Cosmeticapotjes, RMO Leiden, foto: Petra Letheren veel exemplaren werden voorzien van planten- en dierenmotieven. Tijdens het Nieuwe Rijk ontstond er een grotere variatie in vormgeving en decoratie en stonden ook menselijke figuren en goden model. De stenen exemplaren werden regelmatig uitgevoerd omdat het buitenland eveneens belangstelling had voor het fraaie vaatwerk.
Veel stenen vazen en potten werden meegegeven als grafgift of hadden een specifiek ritueel karakter zoals bijvoorbeeld de kanopenkruiken, kruiken waarin na de mummificatie organen werden bewaard.

Metalen vaatwerk verscheen pas laat in de Vroegdynastieke Periode. De eerste simpele vormen werden uitgehamerd uit koperen platen. Dit was de gebruikelijke methode om metalen potten te maken totdat men brons ging gieten en met mallen ging werken. De kwaliteit verbeterde doordat men in plaats van een patroon met de hand op een metalen plaat uit te werken, meer gedetailleerd te werk kon gaan.Vaatwerk Lotusbloem, Museum of fine Arts, Boston
Faience, is een glasachtig materiaal dat opvalt door de blauwgroene kleur. Het werd vanaf de Vroegdynastieke Periode gebruikt om diverse voorwerpen uit te vervaardigen. Zo ook potjes en vazen. Door de kwetsbaarheid van het materiaal was dit niet geschikt voor vaatwerk voor dagelijks gebruik, maar werd het voornamelijk gebruikt om grafgiften en votiefoffers van te maken. Het meest bekend zijn de prachtig gedecoreerde schalen die zijn gevonden in de graven van het Nieuwe Rijk. Deze schalen zijn versierd met lotusbloemen, vissen en diverse andere symbolen die met wedergeboorte te maken hebben.
Echt glaswerk werd pas laat in de 18e dynastie gemaakt, meestal in de koninklijke werkplaatsen. Doordat Egyptische ovens nauwelijks heet genoeg werden om glas te smelten werd er gewerkt met vormen van leem, die in het gesmolten glas werden gedoopt. Het meeste van het geproduceerde glaswerk was klein van omvang en werd gebruikt om bijvoorbeeld speciale oliën en cosmetica in te bewaren. De glasproductie stokte aan het einde van de 18e dynastie. Pas in de Romeinse Tijd werd dit type vaatwerk weer vervaardigd en immens populair door de opkomst van het glasblazen en ovens die een hogere temperatuur konden bewerkstelligen. Geblazen glas was goedkoop, was als verpakking handig en werd daarom ook erg populair.
Vaatwerk werd ook uit organische materialen gemaakt, zoals leer, ivoor, kalebassen en schelpen. Van leer maakte men onder meer waterzakken.

© Joke Baardemans 2013

Bronnen: The Oxford Encyclopedia of Ancient Egypt, art. Vessels, Peter Lacovara; Egypte, Het land van de Farao's, art. Egyptes weg naar de beschaving, Stephan Seidlmayer; Egyptian Art, Cyril Aldred; Ancient Egyptian Materials and Technology, P. Nicholson and I. Shaw