Hurkbeelden: de inscripties

Anch-ef en Chons, Museum Ismaelia, EgypteDe grote vlakken van het hurkbeeld boden de mogelijkheid het beeld te voorzien van een aanzienlijke hoeveel inscripties.

Wat betreft de inhoud worden verschillende aspecten belicht. De formele inhoud komt men het meest frequent tegen. Hieronder verstaat men persoonlijke gegevens gecombineerd met offerformules. Daarnaast onderscheiden we nog het aanroepen van de goden, het aanroepen van de levenden, de biografie, oprichtingsvermeldingen en religieuze standaardteksten.
De persoonlijke gegevens omvatten de naam, titels en afkomst van de eigenaar van het beeld. Biografische notities worden alleen gemaakt als aanvulling op de normale persoonlijk gegevens en verhalen over bijzonder gebeurtenissen zoals bijvoorbeeld een veldtocht of bouwkundige zaken.
Door de tijd heen ziet men inhoudelijke veranderingen optreden. Zo ziet men in het Middenrijk dat de nadruk ligt op de persoonlijke data gecombineerd met offerformules terwijl in de Thoetmosidentijd het zwaartepunt duidelijk meer op de offerformules komt te liggen. In de late Ramessidentijd verschuift de aandacht weer naar teksten die alleen persoonlijke gegevens vermelden.
Het aanroepen van de goden treedt in de Thoetmosidentijd voor het eerst op terwijl het aanroepen van de levenden al in het Middenrijk wordt vermeld.
Religieuze teksten ziet men alleen in samenhang met de dodenboekspreuken in de Thoetmosidentijd en in een enkel geval aan het einde van de 18e dynastie.
In de late tijd verschijnt er nog een nieuw soort tekst namelijk de magische teksten. Hoewel er weinig voorbeelden bekend zijn geven zij een nieuw functioneel gehalte aan de inhoud.
De titels die op de hurkbeelden zijn vermeld zijn zeer divers en kunnen ook op rang worden onderscheiden. Ze lopen uiteen van eenvoudige tot hoge bestuurlijke, militaire, ere- en priestertitels. In de vroege 12e dynastie ligt de nadruk op de priestertitels terwijl bijvoorbeeld in de vroege en midden-Ramessidentijd er een verschuiving plaatsvindt naar bestuurlijke en hoge militaire titels. In de late Ramessidentijd vindt er dan weer een kentering plaats ten gunste van de priestertitels. Als belangrijkste titel treedt dan die van hogepriester naar voren. Het hoogtepunt van de hoeveelheid titels ligt in de 19e dynastie.
De namen van farao's worden in drie verschillende relaties verwerkt in de teksten. Het meest wordt de naam van de farao weergegeven onder welke regeringstijd de eigenaar van het beeld heeft geleefd. In het bijzonder tijdens het Middenrijk werden ook namen genoemd van vroegere farao's waarmee de eigenaar van het beeld in beroepsmatige of cultische samenhang te maken had. Als derde mogelijk kan de ka-ziel van de overleden farao als vergoddelijkte farao vernoemd en vereerd worden.

De vermeldingen van goden op hurkbeelden zijn ook aan de tijdsgeest onderhevig en laten in het bijzonder in het Middenrijk en in het Nieuwe Rijk verschillende zwaartepunten zien. Waar Osiris en Anoebis in het Middenrijk nog duidelijk de belangrijkste goden zijn ligt dit in de Thoetmosidentijd bij Amon evenals in de Ramessidentijd, waarbij ook de vermelding van andere godheden in het Nieuwe Rijk aanmerkelijk toeneemt. De dodenrijksgoden zijn tijdens het Middenrijk duidelijk dominant, dat zwakt in het Nieuwe Rijk af.
De diverse vereringsplaatsen die worden genoemd op de beelden laten voor het Middenrijk een voorkeur zien voor Boesiris in samenhang met de god Osiris. Tijdens het gehele Middenrijk komt de nadruk te liggen op Thebe in relatie tot Amon. Abydos gold in het Middenrijk hoofdzakelijk als tweede belangrijkste plaats.
Naast de plaatsnamen worden ook wel tempelplaatsen genoemd. Waar de piramide van Snofroe en de dodentempel van Pepi I in het Middenrijk nog het meest worden vermeld, is dat vanaf de Thoetmosidentijd de tempel van Karnak. Piramidenamen worden vanaf deze tijd niet meer gezien.

© 2012 Joke Baardemans

Bronnen: Die Entwicklung und Bedeutung des kuboiden Statuentypus, Regina Schulz; The complete God and Godesses of Ancient Egypt