Hiërogliefenschrift

Godin Seschat, tempel van LuxorHet Egyptisch schrift is rond 3000 v. Chr uitgevonden en het was de Fransman Jean-François Champollion die er in het jaar 1822 uiteindelijk in slaagde de tekens oftewel de hiërogliefen te vertalen.

De oudste hiërogliefen zijn aangetroffen in de graven van de eerste farao's zoals Narmer en Ho-Aha. Het woord stamt uit het Grieks; 'hiëros' betekent heilig, 'gliefen' betekent schrift. Aanvankelijk waren er zo'n 1000 tekens of afbeeldingen, in de loop der tijden groeide dit uit naar een paar duizend. De tekens hebben de vorm van zuiver Egyptische gebruiksvoorwerpen en stellen afbeeldingen voor van mensen, planten, dieren,voorwerpen etc.
De Egyptenaren zagen de god Thot als uitvinder van het schrift, maar ook de godin Seschat (zie foto) stond symbool voor alle vormen van schrijven. Vanwege deze goddelijke betrokkenheid sprak men daarom van 'godswoorden,' in plaats van hiërogliefen. Hoewel het schrift voor 'heilig' doorging, had het in eerste instantie toch een praktische functie namelijk om de organisatie van het rijk te regelen en om feiten te noteren en te bewaren. Men kon zo ook mensen op afgelegen plaatsen bereiken. Op monumenten werden de hiërogliefen vooral gebruikt om teksten voor de eeuwigheid in te beitelen. We zien ook dat het schrift in de loop der tijd ook in sociale context veelvuldig werd gebruikt zoals bijvoorbeeld in mooie verhalen en liefdespoëzie.

Het schrift behoort tot de oudste schriftsystemen in de wereld en neemt daardoor een bijzondere positie in te midden van de talen van de oude beschavingen. Het is mogelijk om de ontwikkeling te volgen door de lange, geschreven overlevering. Zo kent met het Oudegyptisch, wat het taal is van het Oude Rijk (2635-2154 v. Chr.) en werd voornamelijk in mastaba's en piramidewanden opgetekend. Tijdens de Eerste Tussenperiode en het Middenrijk volgde het Middelegyptisch. Een taal die voornamelijk terug is te vinden op stèles, dodenboeken en grafreliëfs. Het Nieuwegyptisch was de spreektaal van het Nieuwe Rijk ( 1554-1080 v. Chr.) en werd door farao Achnaton geïntroduceerd als de gangbare schrijftaal. Deze taal werd vooral in de Ramessidentijd gebruikt voor niet-godsdienstige documenten zoals brieven. Het hiëratisch en het demotisch schrift zijn vormen van snelschrift en werd door Egyptische schrijvers gebruikt omdat deze tekens sneller weer te geven waren dan de lastig te tekenen hiërogliefen. Het demotisch is ook de naam van de taalfase die in de Late Tijd ( 747-332 v. Chr) in gebruik was.
De laatste taalfase was het Koptisch, de taal van de eerste christenen in Egypte.

Behalve van het Koptisch weet men niet hoe de Egyptische taal in werkelijkheid heeft geklonken, het is een dode taal. Klinkers worden buiten beschouwing gelaten.
Om het wel een klankwaarde te geven hebben de egyptologen afgesproken om de hiërogliefen om te zetten in medeklinkers van het moderne alfabet. Deze omzetting noemt men 'transliteratie'. Om de taal uit te kunnen spreken wordt er een klinker tussen de medeklinkers gezet.
Het lezen van het hiërogliefenschrift is lastig omdat woorden en zinnen niet van elkaar gescheiden zijn, zowel afstand als leestekens ontbreken. Ook kunnen de hiërogliefen van links naar rechts, van rechts naar links en van boven naar beneden zijn geschreven. De tekst begint wel altijd bovenaan en het beginpunt van de tekst is gelegen aan de kant waarnaar de dier- of mensenhiërogliefen kijken.
Uit fonogrammen (klanktekens) is een Egyptisch alfabet samen te stellen. In principe kan men hiermee elk Egyptisch woord schrijven. De Egyptenaren beperkten zich hier echter niet toe en er ontstonden veel meer variatiemogelijkheden.
Tegenwoordig onderscheiden we de hiërogliefen in klanktekens (fonogrammen), rebus-achtige beeldtekens (ideogrammen) en algemene symbolen (determinatieven). De drie groepen vertonen in feite veel overlappingen, hierdoor is het ontcijferen van de hiërogliefen ook lang onmogelijk geweest.

© 2012 Joke Baardemans

Bronnen: Egypte, Mensen, Goden, Frarao's, R.en R. Hagen; Hiërogliefen, Het schrift ontcijferd; H.Pragt