Paneb, een gewetenloze schurk

Paneb, TT 211Hoewel de verhalen over het oude Egypte vaak tamelijk gekleurd zijn, bestaan er ook documenten die laten zien dat niet alles rozengeur en maneschijn was.

Er zijn teksten overgeleverd, papyrus Salt 124, die ons een blik gunnen op zaken die de orde en harmonie tussen de oude Egyptenaren verstoorden. Een van die teksten gaat over een zekere Paneb, een notoire, Thebaanse crimineel, die leefde tijdens de 19e Dynastie. Hij woonde in het arbeidersdorp Deir el-Medina. Zoals gangbaar in het oude Egypte trad hij in de voetsporen van zijn vader, Nefersenet, die als arbeider werkzaam was in de tombes van de farao's in het Dal der Koningen. Nefersenet had een goed staat van dienst, was 'opzichter van de werken' en had de verantwoording over de mannen aan 'de rechterzijde' oftewel een specifieke ploeg arbeiders waaronder de beste ambachtslieden. Ze werkten onder andere aan het graf van Ramses II.
Zoon Paneb kwam echter om meerdere redenen in opspraak. Hij was getrouwd met Wabet en was vader van een schare kinderen, waarschijnlijk drie of vier zonen en vijf dochters. Een voorbeeldig echtgenoot en vader kon men hem bepaald niet noemen. Binnen de kleine, besloten gemeenschap van Deir el-Medina lagen diverse verleidingen op de loer en Paneb was niet bij machte die te weerstaan. Hij had seksuele relaties met tenminste drie andere vrouwen uit het dorp. Dat maakte hem niet erg populair. Het was een weinig tactvolle en gewetenloze man, ook naar familieleden. Dit kwam met name tot uiting in zijn werk. Door de dood van zijn vader zag hij zijn kans schoon, kocht de vizier om en zorgde ervoor dat deze hem aanstelde als 'opzichter van de werken' in navolging van zijn vader. Dit was een functie die normaliter toegewezen zou worden aan de nog levende broer van zijn vader, Amennacht, maar kennelijk was Paneb van mening dat hij hier recht op had. Stèle met Paneb en zijn zonen in aanbidding voor Meretseger, British MuseumOm zijn heimelijke handelswijze te camoufleren diende hij een aanklacht in tegen de vizier, waardoor deze vervolgens uit zijn ambt werd gezet. Voor Paneb was de weg toen vrij naar nog meer macht en zelfverrijking. Begonnen als een eenvoudige arbeider had hij nu zeggenschap over een deel van de beste arbeiders. Hij droeg de mannen op voor hem te gaan werken, terwijl hij wist dat deze mannen waren gecontracteerd door de overheid om in het Dal der Koningen te werken. Er staat zelfs opgetekend dat hij een van zijn ondergeschikten opdracht gaf om voor een van zijn beesten, een os te zorgen. Andere arbeiders werden verplicht om aan Panebs eigen graf te gaan werken. Hij onttrok hen aan de gangbare werkzaamheden.

Zijn twijfelachtige activiteiten breidden zich uit en kregen, naar verluid, een uitgesproken crimineel karakter. Volgens de overlevering stal hij gereedschap en hij werd zelfs beschuldigd van het plunderen van koningsgraven. Aangezien dat een zeer ernstig vergrijp was dat werd gezien als godslastering bleven de maatregelen niet uit. Zijn activiteiten zetten kwaad bloed en hij had inmiddels veel vijanden. Uiteindelijk brachten zij hem voor het gerecht.
Amennacht, nog steeds gefrustreerd door de manier waarop hij door zijn neef was gepasseerd, schreef de vizier, Hori, een aantal pittige brieven waarin hij Paneb zelfs van moord beschuldigde. Panebs rol was vervolgens uitgespeeld. In hoeverre is helaas niet bekend omdat verdere documentatie ontbreekt. Hoe het oordeel ook luidde, zijn reputatie was voorgoed bezoedeld door zijn immorele gedrag.

© 2012 Joke Baardemans

Bronnen: Lives of the Ancient Egyptians, T. Wilkinson/Pharaoh's workers, L. Lesko