Dwergen in het oude Egypte (1) de benamingen

Chnoem-hotep 5e dynastie, Egyptisch Museum CaïroOndanks de gangbare conventies die golden binnen de Egyptische kunst, waarin o.a. schoonheid en volmaaktheid enkele van de belangrijkste aspecten vormden, zijn er ook personen uitgebeeld die hier niet aan voldeden, zoals bijvoorbeeld kleine mensen oftewel dwergen.

Zij namen een bijzondere en dikwijls ook specifieke plaats in binnen de samenleving, zijn veelvuldig afgebeeld in tempels en graven en werden beschreven in teksten.
Dwerggroei is een groeistoornis die men grofweg in twee vormen kan verdelen namelijk de disproportionele en de proportionele vormen. De meest voorkomende vorm van een disproportionele dwerggroei is achondroplasie, waarbij de verhoudingen van het lichaam afwijken van een normaal lichaam: korte romp, korte ledematen en groot hoofd. Proportionele (of primordiale) dwerggroei onderscheidt zich doordat het lichaam weliswaar klein is, maar de verhoudingen correct zijn zoals bijvoorbeeld bij pygmeeën. Binnen deze verdeling zijn vele vormen te onderscheiden, maar in de Egyptische kunst worden met name de achondroplasten en de pygmeeën uitgebeeld en in teksten vermeld.

De vroegste waarneming van een dwerg stamt uit het Oude Rijk en is aangetroffen in een brief van Farao Pepi II aan een van zijn hoge ambtenaren, Harkoef, en in de Piramideteksten. Er zijn drie mythische, Oudegyptische benamingen voor kleine mensen bekend: dng, nmw en Hwa. God Bes, Museum van Napels, foto: Ton WolkeDoorgaans worden deze woorden in het hiërogliefenschrift aangevuld met een afbeelding (determinatief) van een disproportionele dwerg. In de brief aan Harkoef en in de Piramideteksten uit het Oude Rijk wordt de dwerg aangeduid met dng en dat verwijst mogelijk naar een pygmeeënvolk dat men op expedities tegenkwam en als buit meenam naar huis. In de Piramideteksten zou het zowel om een pygmee als om een vroege vorm van de dwerggod Bes kunnen handelen. In het Middenrijk en het Nieuwe Rijk komt het woord dng (dAg, dlg, dAgt,dngt)) ook in persoonsnamen voor waarbij de overledene zelf geen fysieke kenmerken vertoont van een dwerg. Een uitzondering hierop vormt een misvormde vrouw die dg-nt, wordt genoemd op de kleine obelisk in Brooklyn. Zij lijkt wel degelijke een fysieke afwijking te hebben.
Het woord dgn is vaak aangetroffen in de context met zuidelijk landen en zou dus kunnen duiden op een pygmeeënvolk maar kan dus ook op inheemse dwergen betrekking hebben.
Dwerg Djeho op deksel sarcofaag uit de Late Tijd, Egyptisch Museum Caïro.De benaming nmw (nmj, nmt) wordt vanaf het Middenrijk gebruikt, voornamelijk in magische en religieuze teksten. Het heeft betrekking op menselijke en bovennatuurlijk dwergen, beiden worden afgebeeld met korte lijven. De goddelijke dwergen (Bes en Ptah-Pataikos) zijn achondroplasten. Ook de menselijke nmw blijken achondroplasten te zijn. We treffen deze dwergen aan in onder andere het graf van Khety (BH17) en dat van Bakt I (BH29) uit het Middenrijk. In de Late tijd komen we de term tegen om de heilige danser, de dwerg Djeho aan te duiden. Nergens wordt echter een link gelegd met zuidelijke landen. Het lijkt er dus op dat de benaming nmw specifiek voor achondroplasten was bedoeld. Het woord Hwa gaat terug tot in het Oude Rijk en is een aanduiding voor iets kleins of een klein iemand. In Papyrus Harris wordt hiermee bijvoorbeeld de korte beentjes van de dwerggod beschreven. In het Borchardt Papyrus uit het Nieuwe Rijk wordt de dwerggod als nmw èn als Hwa (kleintje) aangeduid.

Verondersteld wordt dat de oude Egyptenaren benamingen hadden voor specifieke dwergtypes zoals bv JwHw, Dnb en jw. De twee laatste voorbeelden lijken inderdaad aan fysieke afwijkingen te refereren, maar hoeven niet per se naar dwergen te verwijzen. JwHw wordt in verband gebracht met de bekende dwerg Pepi uit het Oude Rijk. Men denkt dat dit een gelegenheidswoord was en te maken had met Pepi's relatie met honden waarvoor hij verantwoordelijk was.

© Joke Baardemans 2014

Bronnen: Dwarfs in Ancient Egypt and Greece, V. Dasen; Pygmies and dwarfs in Ancient Egypt, W. R. Dawson; The Oxford Encyclopedia of Ancient Egypt, art. Deformity, E. Strouhal