Grafontwikkeling, de kuilgraven

Kuilgraf Gebelein, Predynastieke Periode 3500 v. Chr. British MuseumDe graven uit het oude Egypte vormen de meest grote en meest informatieve verzameling archeologische materiaal uit de wereldgeschiedenis.

Het is niet voor niets dat zoveel mensen c.q. archeologen hierin zijn geïnteresseerd. De graven leveren een schat aan informatie op over de oud-Egyptische dodencultus. De praktische en vooral ook spirituele aspecten rondom de begrafeniscultuur zijn veelbesproken onderwerpen binnen de egyptologie. De vragen die op ons afkomen na het overlijden van iemand zijn, in die zin, van alle tijden. Voor de oude Egyptenaren rezen ook vragen op als: waar moet het stoffelijk overschot worden begraven, wat doen we met de eigendommen van de overledene en hoe staan de nabestaanden tegenover de dood. Voor de laatste twee aspecten ontwikkelde zich vanaf de laat-Predynastieke Periode een steeds meer vast omlijnd concept, een veelzijdig religieus geloof dat zich gedurende de hele dynastieke periode volop manifesteerde. Echter, lang voor de periode waarin de eerste prachtig gedecoreerde graven ontstonden en al lang voordat de eerste grafgiften werden bijgeplaatst werden de oude Egyptenaren begraven in kuilgraven, graven die weinig vertellen over de religieuze belevenis en gewoontes van de oude Egyptenaren. Er zijn geen bewijzen dat er een diepere intentie zat achter de vormgeving van het graf en de manier waarop men werd begraven, dan het feit dat men zich moest ontdoen van het lichaam. Men koos hiervoor plekken uit in de woestijn, het was immers zonde om mensen te begraven op de vruchtbare deltagrond. Gebleken is dat het woestijnklimaat en het droge zand uitermate geschikt waren om diverse materialen, het lichaam en andere voorwerpen te bewaren. Het archeologisch materiaal dat men heeft aangetroffen was in een opmerkelijk goede conditie. Al lang voor de Predynastieke Periode waren er kuilgraven. De oudste kuilgraven die zijn gevonden dateren uit 12.000 – 14.000 jaar voor Chr. en werden aangetroffen in de Nubische woestijn. Zo'n graf bestond uit een eenvoudige, ondiepe kuil, ovaal gevormd met een afmeting van ca. 1 meter bij 50 centimeter. Het lichaam was samengetrokken en in foetushouding in het graf geplaatst. Er waren destijds nog geen grafgiften aanwezig. Het graf werd afgedekt met grote stukken kalksteen.
Kuilgraf Naqada III tomb minsjat Abu Omar 3300 v. ChrGedurende lange tijd, tot aan de neolithische periode, zijn er weinig archeologische vondsten bekend die ons iets laten zien van een begrafeniscultuur. De Badari cultuur (4500-3800 voor Chr.) is het eerste bewijs van een agrarische cultuur in Boven-Egypte. Deze cultuur werd gekenmerkt door specifieke begrafenisgewoontes. Ook hier was sprake van ondiepe kuilgraven met een lichaam, liggende op de linkerzijde en kijkend naar het westen. Het lichaam was echter gewikkeld in een rietmat of een huid van een gazelle en in tegenstelling tot de graven uit de Nubische woestijn bevatten deze graven wel grafgiften. Deze bestonden uit handgemaakt aardewerk, ivoren kammen, paletten van leisteen en juwelen. Toch is er nog steeds geen doorslaggevend bewijs van een bovenbouw die later zo kenmerkend is voor Egyptische graven. De graven uit de Naqada Periode leken sterk op die uit de Badari cultuur maar wel met wat variaties. Sommige graven werden bijvoorbeeld bedekt met takken of rietmatten. Deze werden dan weer afgedekt met een bergje kiezelstenen. In het graf waren talrijke grafgoederen aanwezig, bestaande uit het, voor die periode, kenmerkende rode aardewerk, met aan de bovenkant een zwarte rand. Ook werden in deze graven kleine plaatjes aangetroffen, voorzien van ingekerfde mensenhoofden of dierenkoppen.
Tarkhangraf, scan uit Ancient Egyptian Tombs, S. Snape: Frans SandersTijdens de volgende periode veranderde de begrafeniscultuur en werden de graven en grafcomplexen verfijnder en complexer. Bij de latere begraafplaats van Tarkhan, 60 km ten zuiden van Caïro heeft de Engelse archeoloog en eerste egyptoloog Sir Flinders Petrie een graf opgegraven (tomb1845) dat veranderingen bevat ten opzichte van de voorgaande kuilgraven. Rond de ondiepe kuil verscheen een rechthoekige, lemen muur. Hiernaast vond Flinders Petrie nog een ander kamertje gevuld met aardewerk kruiken en voedseloffers. De muur die deze kamer verbond met de eigenlijke grafkamer bevatte twee spleten, wat mogelijk een voorloper is geweest van de latere serdab, een aparte afgesloten ruimte in of bij een graf waarin een beeld stond van de grafeigenaar. Men veronderstelt dat deze kamer een eerste verwijzing naar een geloof in een hiernamaals was. Gedurende de volgende fasen van de Naqada Periode verstedelijkten de nederzettingen en de bijbehorende begraafplaatsen laten in toenemende mate een onderscheid zien in sociale klasse. Uiteindelijk maken de graven uit het verleden plaats voor aanzienlijk grotere rechthoekige graven, de mastaba's. Het Tarkhangraf wordt tegenwoordig gezien als eerste voorloper hiervan.

© Joke Baardemans 2014

Bronnen: The Oxford Encyclopedia of Ancient Egypt, art K. Weeks; Ancient Egyptian Tombs, the culture of live and death, S. Snape; The Oxford Historie of Ancient Egypt, I. Shaw